Deze gastbijdrage komt van een externe auteur en weerspiegelt niet noodzakelijk de standpunten van de redactie of van Voor U.
Carlos Krullemans: @ckrullemans (echte naam bij de redactie bekend)
De schorsing van Nathan Cofnas aan de UGent was niet bepaald verrassend. Ze was het culminatiepunt van een moraalstuk dat zich dit jaar afspeelde in de stad van licht en liefde. De zaak-Jason Arday, waarin Cofnas grotendeels gewoon zijn academische plicht vervulde door ernstige aanwijzingen van plagiaat aan te kaarten (zijn persoonlijke opvattingen doen daarbij niet ter zake), was het tragische slot van dit moraalstuk, dat uitmondde in de onvermijdelijke verbranding van een zondebok.
Het klokkenluiden was niet de voornaamste reden voor de schorsing van Cofnas. Ze volgde op een, naar verluidt, meedogenloze campagne van bestuurders, personeel en studenten tegen hem aan de UGent, die al maanden liep en waarvan de virulentie en intensiteit me verbaasden.
Die campagne, zo luidt mijn stelling, is het product van een specifieke, diepgewortelde manier van denken in het Westen, die vaak grotendeels onbewust werkt en waarvoor academici uiteraard niet immuun zijn.
Anti-judaïsme als verklaringsmodel voor misstanden in de wereld
In zijn boek ‘Anti-judaïsme’ beschreef historicus David Nirenberg een proces dat niet simpelweg neerkomt op vijandigheid tegenover Joden. Het is een terugkerende manier van denken in het Westen waarin ‘het Joodse’ een conceptuele categorie wordt waarmee men verklaart wat er mis is met de wereld.
In de christelijke traditie werd ‘het Joodse’ vaak gebruikt als retorisch instrument voor het particuliere tegenover het universele: de letter tegenover de geest, de wet tegenover de genade, het vlees tegenover de geest, afstamming tegenover een hogere morele orde. Er bestaat een hele traditie van middeleeuwse iconografie waarin Synagoge en Kerk worden afgebeeld om die tegenstelling zichtbaar te maken.
Dit heeft opmerkelijk weinig te maken met wat Joden in het echte leven daadwerkelijk doen. Het is een morele dialectiek waarin ‘het Joodse’ een voorbeeld van ondeugd wordt, een symbool waarin allerlei maatschappelijke kwalen worden samengebundeld tot één categorie en waarmee vervolgens wordt bepaald wat in de gegeven maatschappelijke context overwonnen moet worden.
Anti-judaïsme is in die zin zichzelf definiëren tegenover zijn eigen geprojecteerde negatieve beeld van de Jood. Dat mechanisme, benadrukt Nirenberg, verdween niet met de secularisering en het terugtrekken van de theologie. De inhoud veranderde en nam moderne vormen aan, maar de structuur bleef bestaan.
Moderne politieke bewegingen definiëren hun negatieve ‘ander’ opvallend vaak in Joodse vormen: voor communisten kan dat het ‘Joodse kapitaal’ zijn; voor fascisten het judeo-bolsjewisme; voor rechts-populisten het Soros-globalisme; en, relevanter voor deze zaak, voor modern progressief links het zionisme.
De tegenstrijdigheid is belangrijk. Joden kunnen tegelijk beschuldigd worden van kosmopolitisme en tribalisme, kapitalisme en communisme, ontworteling en obsessie met hun wortels. Negatieve archetypen hoeven immers niet coherent te zijn. Ze moeten bruikbaar zijn om een politiek verhaal te condenseren tot een moreel verhaal van goed tegenover kwaad.
Door die manier van denken werd Nathan Cofnas veel meer dan een ongemakkelijke academicus met controversiële hypotheses over ras.
Als Amerikaanse Jood met uitgesproken conservatieve opvattingen die in Gent aankomt midden in alle hysterie rond Trump en Israël, daar lopen er precies in Gent niet veel van rond, is hij bijna een té perfect symbool.
In plaats van te worden gezien als een academicus wiens opvattingen onderscheid en nuance konden bevatten, werd Cofnas al snel het tegendeel van de morele orde rond hem – Een morele categorie die bestreden moest worden, beladen met veel meer betekenis dan wat hij daadwerkelijk had gezegd of wat redelijkerwijs in zijn werk kon worden teruggevonden.
Een gewone onderzoeker weerleg je in papers en colloquia. Anti-judaïsme helpt de enorme intensiteit van de commotie rond Nathan Cofnas te verklaren.
Cofnas aan de UGent meer dan enkel een collega met controversiële ideeën
Rond Cofnas kwamen open brieven, interne mobilisatie, een groep genaamd ‘Students Against Cofnas’, annulleringen, persoonlijke aanvallen, eisen tot institutioneel optreden in naam van het ‘collectieve welzijn’ van collega’s en uiteindelijk zijn schorsing vorige week.
De UGent is natuurlijk een diverse instelling waar professoren uiteenlopende opvattingen hebben. Toch is het absoluut waar dat een progressieve of ‘woke’ cultuur grote delen van de instelling doordringt, met een engagement voor universalisme, diversiteit, gelijkheid en inclusie, wantrouwen tegenover erfelijke groepsonderscheiden en een sterk geloof in de sociale maakbaarheid van de mens.
Met universalisme bedoel ik hier dat mensen in de eerste plaats moeten worden gezien als moreel gelijke individuen, en niet primair als leden van overgeërfde groepen.
Het werk van Cofnas legt daarentegen de nadruk op erfelijkheid, verschillen tussen bevolkingsgroepen, groepsparticulariteit, biologische beperkingen en de grenzen van maakbaarheid. Hij is bijna een catechetisch exemplum van hoe je géén UGent-academicus hoort te zijn.
De morele verontwaardiging volgde. Cofnas was niet langer gewoon een collega met controversiële ideeën, maar een moreel archetype dat bestreden moest worden.
De Schamper, de studentenkrant van de UGent, voerde Cofnas in een satire op als Joseph Goebbels. Dat is bijzonder cru en beledigend, maar het interessante eraan is de logica van het anti-judaïsme erin. Studenten definiëren zichzelf expliciet tegenover het fascisme. Zodra Cofnas het negatieve archetype is geworden, migreert dat archetype vanzelf richting fascisme en eindigt de Jood dus als de nazi.
Een andere manier waarop die morele verontwaardiging zich uit, zijn de verwijzingen naar ‘zionisme’ die telkens weer rond Cofnas opduiken.
Dat gebeurt tegen de achtergrond van bijzonder gepassioneerde reacties binnen de universiteit op het conflict in het Midden-Oosten. In de meest schematische versie van dat moraalstuk wordt Palestina het archetype van het rechtvaardige progressivisme en Israël het archetype van het fascisme. Alle nuance vliegt uiteraard meteen het raam uit.
Cofnas zelf spreekt nauwelijks over het zionisme, als hij dat al doet. Maar als zowel Israël als Cofnas negatieve archetypen zijn, dan moet Cofnas ook de Aartszionist worden. Die beeldvorming is belangrijk omdat ze een omkering vormt van wat Joden in het naoorlogse Europa na de verschrikkingen van de Holocaust gingen symboliseren.
Na Auschwitz kregen Joden in Europa een bijna tegengestelde symbolische rol toegewezen: niet langer het particularistische obstakel voor het universele, maar getuigen van de catastrofe die ontstaat wanneer ras, afkomst en groepsverschil de universele menselijkheid verdringen.
De morele les in het Europa na de Holocaust werd dat afkomst neutraal moet worden bekeken, dat racialisering tot catastrofes leidt, dat overgeërfd groepsverschil geen morele waarde mag bepalen en dat de mens eerst als een universeel en maakbaar individu moet worden gezien.
Dat werd in feite de morele ruggengraat van de naoorlogse orde, met talloze complexe en fundamentele gevolgen voor de manier waarop Europese samenlevingen zich sindsdien hebben ontwikkeld.
Dit was natuurlijk een oneindig veel welwillender rol voor Joden dan de oude. Maar het bleef een rol. De Jood bleef een personage in het morele verhaal van iemand anders.
Had Cofnas zich naar die toegewezen rol gedragen, dan is het moeilijk voor te stellen dat de reactie ooit iets in de buurt van haar huidige intensiteit had bereikt.
Door als Jood die zogenaamd beslechte morele kwestie opnieuw ter discussie te stellen, is Cofnas niet simpelweg fout. Hij lijkt zich schuldig te maken aan een soort zelficonoclasme: hij maakt een bereikte morele transcendentie ongedaan waarvan hij zelf geacht wordt de historische les te belichamen.
Zo werd hij niet alleen het exemplum van hoe een UGent-academicus niet hoort te zijn. Hij begon iets te worden als een parabel van de verdoemenis van de Joden: de Jood die, nadat hij zogezegd de ultieme historische les over ras en erfelijkheid heeft geleerd, uiteindelijk zelf de fascist wordt.
Op dat punt begint projectie het over te nemen.
Eens hij zo’n ondraaglijke tegenfiguur was geworden, waren zijn eigen woorden duidelijk niet langer voldoende. De afgelopen weken werden hem allerlei dingen toegeschreven die hij nooit daadwerkelijk heeft gezegd of zelfs maar gesuggereerd: dat hij bijvoorbeeld gelooft dat rassen volkomen discrete categorieën zijn, of dat hij eugenetica bepleit.
Het helpt ook niet dat het woord ‘race’ veel gemakkelijker wordt gebruikt in het Amerikaanse academische discours, waardoor formuleringen voor Europese oren aanzienlijk ‘racistischer’ kunnen klinken dan in hun oorspronkelijke context.
Maar het grotere mechanisme is interessanter.
Zodra Cofnas het anti-type is geworden, hebben mensen zijn eigen genuanceerde stellingen niet langer nodig om te weten waar hij voor staat. De symbolische Cofnas vervangt de echte Cofnas. Hij wordt het scherm waarop het afgewerkte archetype van de vijand wordt geprojecteerd. Waarom moet juist deze tegenstander zoveel meer betekenen dan zijn concrete stellingen?
Het is moeilijk om je dit niveau van algemene morele verontwaardiging voor te stellen als Cofnas bijvoorbeeld een sociaal onhandige, afgevallen christen uit pakweg Limburg was geweest die exact dezelfde empirische stellingen verdedigde. Hij zou waarschijnlijk rustig zijn onderzoek blijven doen ergens in de kelder van de Blandijn.
Het progressieve milieu van de UGent bepaalt hoe het zichzelf begrijpt
Alsjeblieft, alsjeblieft, haal uit deze column vooral niet dat dit over Jodenhaat gaat. Dat is niet mijn punt. Ik beweer niet dat Joodse professoren simpelweg worden geviseerd wegens hun etniciteit of religie. Dat zou de pointe volledig missen.
Anti-judaïsme gaat niet in de eerste plaats over haat. Het gaat over het bouwen van archetypen op de rug van Joden om zichzelf te definiëren.
Tegenover een imaginaire Cofnas die steeds minder dezelfde is als de echte Cofnas, bepaalt het progressieve milieu van de UGent hoe het zichzelf begrijpt.
Dat is diep ironisch gezien Cofnas’ daadwerkelijke publicatierecord, waarin hij zich onder meer hevig heeft verzet tegen de uitgesproken antisemitische theorieën van bioloog Kevin MacDonald, die beweert dat Joden multiculturalisme bevorderen om niet-Joden te verzwakken als evolutionaire groepsstrategie.
Een Jood die één antisemitisch wereldbeeld bestrijdt, werd zo zelf de drager van een ander wereldbeeld dat ondraaglijk is voor een bepaalde status quo aan de UGent: een wereldbeeld dat bereid is erfelijkheid, biologische groepsverschillen en grenzen aan de maakbaarheid van de mens te onderzoeken als verklaringen voor fenomenen in de echte wereld.
Op dat punt verandert ook het debat van karakter. Het verschuift van veroordeling naar een logica van besmetting en verwijdering.
Daarom begonnen argumenten tegen hem te draaien om zorgplicht, collectief welzijn, emotionele schade bij studenten en de vraag of zijn loutere aanwezigheid verenigbaar is met de instelling, in plaats van simpelweg aan te tonen dat zijn academische werk fout is. Wees heel bang wanneer mensen het hebben over het “collectieve welzijn”.
Ook de tragische dood van Jason Arday werd snel door concurrerende politieke kampen tot symbool gemaakt: ofwel een verhaal over inclusie en het overwinnen van achterstand, uiteindelijk vertrappeld door structureel racisme, ofwel een verhaal over dalende standaarden in naam van het diversiteitsdogma, met fatale gevolgen.
Moraalstukken hebben de neiging om complexe mensen aan alle kanten tot personages te herleiden. Maar de anti-Cofnas-campagne was al maanden vóór Arday begonnen. Dus wat is de functie van die morele verontwaardiging?
Door Cofnas te veroordelen zegt de UGent tegelijk wat zij zelf meent te zijn: inclusief tegenover uitsluiting, universeel tegenover particularisme, egalitair tegenover genaturaliseerd verschil, sociaal-progressief tegenover overgeërfde hiërarchie, met alle hedendaagse politieke associaties die erbij horen.
Het anti-type maakt het positieve type zichtbaar. De ketter maakt de orthodoxie zichtbaar.
‘Durf deugen’ belangrijker geworden dan ‘durf denken’
Er is niets mis met een morele visie. Het probleem begint wanneer trouw aan die morele orde belangrijker wordt dan het onderscheid tussen een echte persoon en de symbolische vijand waarop al het verwerpelijke wordt geladen. Waar ‘durf deugen’ belangrijker wordt dan ‘durf denken’.
Een universiteit die een groot deel van haar morele identiteit bouwt rond radicaal egalitarisme en universalisme, zal uiteindelijk ook een ketter voortbrengen die lijkt te belichamen wat er mis is met de wereld.
Een archetype dat bijna té perfect voor de rol gecast is. Een campagne die geen anomalie was, maar het voorspelbare product van een bepaalde manier van denken.
En wat Cofnas zelf betreft: misschien laat Nirenberg ons achter met een nog donkerdere gedachte. Joden lijken veroordeeld om personages te worden in de moraalstukken van anderen. Zelfs de flatterende rollen worden door iemand anders geschreven. De rollen veranderen. De show gaat door.
Ingezonden
