Zwijgen over genocide is geen neutraliteit

“Dit boek is geen vlag. Het wil geen enkele gemeenschap viseren.” Met die woorden reageert auteur Bénédicte Monnoye in BRUZZ op het feit dat zes Brusselse scholen haar debuutroman Fugue uiteindelijk niet aan hun leerlingen voorleggen. Het boek behandelt vijf bloedige conflicten uit de twintigste eeuw, gebaseerd op echte getuigenissen: de Rwandese genocide, de Tweede Wereldoorlog, en de Pontische, Assyrische en Armeense genocides. Twee scholen waren expliciet over hun motief, aldus mede-uitgever Thomas Gutkin: ze haakten af omwille van de Armeense genocide. Leerkrachten vreesden voor de reacties van ouders van sommige leerlingen.

Voor Belgische lezers is het misschien een kort nieuwsbericht. Voor Armeniërs in Brussel, in België en wereldwijd is het pijnlijk vertrouwd. En het is precies daarom dat erkenning begint in de klas, of helemaal niet begint.

Een eeuw met opgeheven hand

Voor de meeste Belgen is 1915 een jaartal in een handboek. Voor Armeense families is het een levend feit. Kleinkinderen kennen de naam van het dorp dat hun grootouders hebben moeten verlaten. Achterkleinkinderen weten welke familieleden de mars door de Syrische woestijn niet hebben overleefd. Het verhaal wordt doorgegeven aan keukentafels, niet omdat Armeniërs zich willen vastklampen aan het verleden, maar omdat de Turkse staat het verleden weigert te erkennen. Wat niet officieel mag bestaan, moet privé worden bewaard.

Honderd jaar lang hebben Armeniërs hetzelfde gedaan: bewijzen verzameld, getuigenissen vastgelegd, parlementen aangeschreven, conferenties georganiseerd, monumenten bedongen. Stuk voor stuk, land voor land. Frankrijk erkende de genocide in 2001, Duitsland in 2016, België formeel ook al jaren geleden. Elke erkenning kostte jaren van geduldig werk. Stelt u zich eens voor wat het betekent te behoren tot een gemeenschap die haar eigen tragedie alleen mag noemen tussen aanhalingstekens, totdat genoeg buitenlanders erin toestemmen het kind bij zijn naam te noemen.

En dan, na al dat werk, lees je dat zes scholen in Brussel het beter vinden er niet over te beginnen.

Drie volkeren, één politiek

Tussen 1914 en 1923 voerden het Ottomaanse Rijk en later de jonge Turkse Republiek een systematische uitroeiingscampagne tegen hun christelijke minderheden. Drie volkeren werden tegelijk geviseerd, in dezelfde geografische ruimte, door dezelfde apparaten, op basis van dezelfde ideologie van etnische zuivering. Historici spreken vandaag steeds vaker van de Ottomaanse genocides in het meervoud, omdat het om één doelbewuste politiek ging die drie afzonderlijke volkeren raakte.

De Armeense genocide kostte tussen 1915 en 1923 naar schatting 1 tot 1,5 miljoen mensen het leven, op een vooroorlogse Armeense bevolking in het rijk van ongeveer 1,5 tot 2 miljoen. Met andere woorden: ruwweg de helft tot twee derde van de Armeense bevolking in het Ottomaanse Rijk werd uitgemoord, kwam om tijdens de deportaties door de Syrische woestijn, of werd gedwongen geïslamiseerd. Hele streken van Anatolië, waar Armeniërs millennia lang hadden gewoond, werden in enkele jaren leeggemaakt.

Voor de Anatolische en Pontische Grieken samen, vóór de oorlog ongeveer 2,5 miljoen mensen, schatten historici het dodental tussen de 300.000 en 750.000, met sommige onderzoekers die nog hogere getallen rapporteren. De Pontische Grieken alleen, een gemeenschap die al meer dan 2.500 jaar leefde langs de Zwarte Zee, verloren rond de 350.000 mensen, ongeveer de helft van hun vooroorlogse bevolking. Het hoofdstuk werd in 1923 afgesloten met een gedwongen bevolkingsuitwisseling die de overlevenden definitief uit hun voorouderlijke gebieden verwijderde.

De Assyriërs, een verzamelnaam voor verschillende oosters-christelijke gemeenschappen in het zuidoosten van het huidige Turkije en het noorden van Iran, telden vóór de oorlog ongeveer 500.000 tot 600.000 mensen. Naar schatting 250.000 tot 300.000 onder hen kwamen om, ook hier dus tot de helft van het hele volk. Zij noemen die periode Seyfo, het Aramese woord voor “het zwaard”.

Bij elkaar opgeteld eisten de Ottomaanse genocides tussen de 1,5 en 2,5 miljoen mensenlevens. Achter elk van die cijfers gaat een gezin schuil, een dorp, een verhaal, een stem die nooit meer is gehoord. Het is op die schaal dat het zwijgen in een Brussels klaslokaal moet worden afgewogen. Niet als gevoeligheid tegenover een minderheid in de buurt, maar als nalatigheid tegenover miljoenen doden van wie de ontkenning na een eeuw nog steeds niet voorbij is.

Erkenning is een rouwproces

Wie het rouwproces ooit van dichtbij heeft meegemaakt, weet dat erkenning de scharnier is waarop het draait. Een verlies dat door je omgeving wordt benoemd, kan worden verwerkt. Een verlies dat wordt weggekeken of geminimaliseerd, blijft als een open wonde bestaan. Dat geldt voor één mens, en het geldt voor hele gemeenschappen. Volkeren rouwen ook, en ze rouwen pas écht wanneer hun pijn buiten de eigen kring wordt gehoord.

Voor Armeniërs, Pontische Grieken en Assyriërs is dat rouwproces sinds 1915 nog niet voltooid, omdat een eeuw later de daderstaat hun pijn nog steeds officieel betwist. Elke erkenning, elk schoolboek dat de gebeurtenissen bij naam noemt, elk klaslokaal waar een leerling het hoort, is een steen die mee de wonde dichtmetselt. Omgekeerd is elk wegkijken een nieuwe scheur erin. De zes Brusselse scholen vermoeden dat misschien niet, maar dat is exact wat hun stilte doet.

Erkenning is bovendien de enige weg vooruit. Geen enkele samenleving heeft ooit een historische fout achter zich gelaten door erover te zwijgen. Duitsland werd niet vrij van zijn verleden door het te verzwijgen, maar door het in elke klas, elk museum en elke herdenking opnieuw onder ogen te zien. Wie de toekomst wil openen, moet eerst het verleden durven benoemen. Voor de Armeniërs, Pontische Grieken en Assyriërs is die voorwaarde nog niet vervuld. Voor de daders en hun nazaten evenmin. Beide gemeenschappen blijven gevangen in een geschiedenis die niet mag eindigen omdat ze niet mag beginnen.

Het narratief in eigen handen

In die stilte schuilt een tweede onrecht. Wie zijn eigen geschiedenis niet in een klaslokaal mag laten klinken, raakt de regie over zijn eigen verhaal kwijt. Het verhaal wordt dan iets wat anderen vertellen over jou: historici, journalisten, politici, en in het ergste geval de daders zelf. Niet iets wat je zelf vertelt. Dat is precies wat Ankara honderd jaar lang heeft proberen te bereiken: niet alleen de feiten ontkennen, maar de zeggenschap erover wegnemen.

Voor de Pontische Grieken en de Assyriërs is diezelfde stilte nog harder geworden. Zij verloren in dezelfde periode honderdduizenden mensen aan dezelfde Ottomaanse politiek, maar hun parlementaire erkenningen zijn schaarser, hun monumenten minder zichtbaar, hun naam in onze geschiedenisboeken vaak afwezig. Hun lot is een schaduw binnen een schaduw, onzichtbaar voor wie niet zelf gaat zoeken.

Een Armeense leerling in Anderlecht of Schaarbeek, een Pontisch-Griekse of Assyrische leerling waar ook in Brussel, heeft er recht op haar eigen geschiedenis met opgeheven hoofd te leren. Niet als een verhaal dat besmuikt blijft hangen aan een keukentafel, maar als gedeelde kennis op gelijke voet met die van haar klasgenoten. Dat recht uitoefenen wordt makkelijker naarmate niet-Armeniërs, niet-Grieken en niet-Assyriërs hun stem mee laten horen. Een erkende geschiedenis is niet iets wat je alleen aan de slachtoffers overlaat. Dat is een principe, geen gunst.

Geschiedenis is geen onderhandeling

Wat in deze hele zaak het meest verbijstert, is niet eens de stilte rond 1915 op zich. Het is dat zes scholen het normaal zijn gaan vinden om hun leerstof af te stemmen op de mogelijke onvrede van een groep ouders. Dat is een precedent dat veel verder reikt dan deze ene roman of deze drie genocides.

Geschiedenis is niet minder waar wanneer ze de lezer niet aanstaat. De feiten van 1915 veranderen niet als een Brusselse ouder ze liever niet aan zijn kind verteld ziet, net zomin als de feiten van de Holocaust veranderen als iemand anders ze liever niet hoort, of de feiten van de slavernij, of die van de koloniale gruwelen in Belgisch-Congo. Een school die haar leerstof laat vaststellen door wie het hardst protesteert, is geen school meer. Ze is een doorgeefluik van de heersende sociale druk in haar buurt.

En laten we hier ook niet flauw over doen: de “culturele gevoeligheid” waarvoor zes scholen geplooid hebben, is geen culturele eigenheid die respect verdient. Ze is het uitgevloeide resultaat van een eeuw aan staatspropaganda, xenofobie tegenover Armeniërs en complotdenken over wie hun lot werkelijk heeft bepaald. Wie meegaat in die ontkenning uit naam van verdraagzaamheid, vergist zich grondig over het soort verdraagzaamheid dat hier in het geding is. Echte verdraagzaamheid bestaat eruit dat je vastgestelde feiten ook benoemt wanneer ze ongemakkelijk klinken voor een deel van je publiek. Wie wegkijkt om de rust te bewaren, is niet verdraagzaam. Hij is medeplichtig aan een ontkenning die nooit zelf verdraagzaam was.

En het probleem schuilt niet enkel bij die zes scholen. Het schuilt bij de structuren erboven. Een individuele leerkracht die een gevoelig onderwerp brengt en daarop aangevallen wordt door ouders, hoort niet alleen te staan. Hij hoort de directie achter zich te hebben, de koepel, de inspectie, het ministerie. Wanneer die rugdekking ontbreekt, wordt iedere leerkracht zijn eigen risicoanalist, en dan wint zelfcensuur altijd. Het is niet de leerkracht die hier faalt. Het is het systeem dat hem in zijn eentje laat plooien.

Een klaslokaal als plek van erkenning

Dezelfde reden waarom we de Holocaust grondig onderwijzen, geldt voor 1915. De massamoord op Armeniërs, Pontische Grieken en Assyriërs vormde de eerste industriële etnische zuivering van de twintigste eeuw, een blauwdruk die latere regimes hebben bestudeerd. Een leerling die alleen de Holocaust kent, leert dat genocide een Europese aberratie is. Een leerling die ook 1915 kent, leert dat het een terugkerend menselijk patroon is.

En toch ontbreekt voor deze drie genocides de culturele infrastructuur die de Holocaust uiteindelijk wel kreeg. Geen grote bioscoopfilm, geen jaarlijks herdenkingsmoment, geen prominent monument in Brussel. Veel leerkrachten kregen er in hun eigen opleiding amper iets over te horen. Wie iets niet vertrouwt, brengt het niet met zelfvertrouwen voor de klas. En wie het niet met zelfvertrouwen brengt, vermijdt het zodra er sociale weerstand opduikt, zoals in die zes Brusselse scholen. Zo wordt vergetelheid structureel: wat niet onderwezen wordt, raakt vergeten, en wat vergeten is, wordt niet onderwezen.

De stilte van Ankara reikt tot in Brussel

De ontkenning van de Armeense genocide is geen passieve vergetelheid. Het is sinds de jaren 1920 Turks staatsbeleid: lobbywerk in Westerse hoofdsteden, druk op universiteiten, juridische vervolging van eigen burgers via artikel 301 van het Turkse strafwetboek, dat het “beledigen van de Turkse natie” strafbaar stelt. De Turkse-Armeense journalist Hrant Dink, die de genocide bij naam noemde, werd in 2007 op straat in Istanbul vermoord. Schrijver Orhan Pamuk werd om dezelfde reden vervolgd. Schoolboeken worden in Turkije gezuiverd, getuigen monddood gemaakt, en bondgenoten als Azerbeidzjan en Pakistan houden de ontkenning mee in stand. Voor de Pontisch-Griekse en Assyrische slachtoffers is de ontkenning nog totaler. Hun namen vallen in Turkse leerplannen niet eens.

Wanneer Brusselse leerkrachten aarzelen om dit onderwerp aan te snijden, is dat niet “gevoelig” in een vacuüm. Het is gevoelig omdat een buitenlandse staat al een eeuw lang werk maakt om het gevoelig te houden. Wat in Ankara als beleid begint, eindigt in een lerarenkamer in Anderlecht of Schaarbeek als een aarzeling. Dat is geen samenzwering. Het is hoe georganiseerde ontkenning werkt. En het is precies de reden waarom een Brussels klaslokaal wél de juiste plek is om de stilte te doorbreken. Niet ondanks Ankara, maar ook omwille van Ankara.

Wat we te doen hebben

Een erkenning in een parlementaire stemming heeft pas effect wanneer ze ook bij de zestienjarige in de derde rij van het klaslokaal aankomt. Anders is het een papier zonder publiek.

Het echte werk ligt bij de leerplannen, bij de lerarenopleidingen, bij de schoolboeken die vandaag enkele zinnen over 1915 bevatten waar er een hoofdstuk hoort te staan. Bij koepels en directies die hun leerkrachten rugdekking geven wanneer een ouder protesteert tegen een vastgesteld feit. En bij ieder van ons die mag vragen: wat geven we onze leerlingen door, en wat niet?

Een Armeense, Pontisch-Griekse of Assyrische leerling hoort niet uit losse familieverhalen te ontdekken wat haar overgrootouders is overkomen. Een leerling van Turkse afkomst heeft er recht op die geschiedenis te leren in een omgeving waar ze geen culturele aanval is, maar gedeelde kennis. En een leerling zonder banden met dat alles heeft er recht op het verschil te leren zien tussen wat een staat ontkent en wat een eeuw aan onderzoek heeft vastgesteld.

Want erkenning begint in de klas. Daar wordt de wonde van een eeuw stilte mee dichtgemetseld, of net opnieuw opengetrokken. Daarvoor zouden Armeniërs, Pontische Grieken en Assyriërs niet langer alleen op de barricaden moeten staan.