Quinten Jacobs toont waar hervormers juridisch vastlopen. Maar wie verklaart waarom de Belgische politiek zo vaak zelf nieuwe muren optrekt?
Het probleem met Het betonnen beleid van Quinten Jacobs is niet dat hij ongelijk heeft. Het is dat hij te laat begint. Hij beschrijft scherp waar zelfs een politicus met hervormingsambities juridisch kan vastlopen. Maar de meeste hervormingen sterven lang voor ze bij de Grondwet, Europa of een rechter aankomen. [1] [8]
Ze sterven in partijhoofdkwartieren, kabinetten en coalitieonderhandelingen. Omdat niemand een overwinning aan de coalitiepartner wil gunnen. Omdat de verliezers van een hervorming zich vandaag organiseren en de winnaars pas over tien jaar zichtbaar worden. Omdat de minister die de rekening presenteert, niet noodzakelijk de minister is die later de opbrengst mag innen.
Jacobs wil als jurist vooral de institutionele laag zichtbaar maken. Dat is legitiem en nuttig. Maar wie de Belgische stilstand daarmee wil verklaren, moet ook kijken naar de cultuur die die instellingen heeft voortgebracht en in stand houdt.
De politiek heeft zelf beton gegoten
De Belgische staatsstructuur is geen natuurverschijnsel. Staatshervormingen, bijzondere meerderheden en overlegmechanismen zijn het resultaat van politieke keuzes. Vaak noodzakelijke compromissen, zeker. Maar keuzes. Sommige conflicten werden niet opgelost; ze werden verdeeld over bestuursniveaus, die daarna nieuwe coördinatie nodig hadden.
Het Grondwettelijk Hof ontstond mee omdat verschillende wetgevers na de federalisering normen met dezelfde rechtskracht konden aannemen. De politiek verdeelde bevoegdheden, creëerde mogelijke conflicten en richtte vervolgens een instelling op om die conflicten te bewaken. Dat is niet per definitie verkeerd. Wel toont het hoe politieke oplossingen later nieuwe juridische grenzen worden.
Jacobs erkent dit zelf. In een interview met Veto zegt hij dat het betonnen beleid door politici is gecreëerd. Hij noemt recht ook ‘gestolde politiek’. [1] Daaruit volgt voor mij een ongemakkelijker vraag dan hoe hard dat recht is geworden: wie heeft het gegoten, wie houdt het in stand en wie heeft er voordeel bij dat het niet verandert?
De commissie als politieke levensvorm
België heeft overleg nodig. Een complexe federatie kun je niet besturen door gewoon harder te roepen. Maar hier is overleg soms niet langer een middel om te beslissen; het wordt een manier om de beslissing uit te stellen en de verantwoordelijkheid te verdunnen.
Een werkgroep, een interkabinet, een advies, nog een bilaterale, een coördinatiecomité. Als één minister beslist, kan één minister falen. Als vijf kabinetten en drie regeringen betrokken zijn, kan achteraf iedereen zeggen dat ‘verdere afstemming nodig is’. Iedereen was betrokken; niemand was helemaal eigenaar.
De OESO wees in 2025 op de wildgroei aan plannen en coördinatiemechanismen bij het Belgische federale beleid voor duurzame ontwikkeling. Het rapport telde minstens dertig federale actieplannen met uiteenlopende doelstellingen en rechtskracht. [4] De vaststelling is breder herkenbaar: we beantwoorden versnippering met coördinatie en de problemen van coördinatie met nóg een structuur.
Schaf morgen een overlegorgaan af zonder de politieke reflex te veranderen, en binnen enkele jaren staat er een nieuw. Politieke cultuur produceert instellingen. Niet alleen omgekeerd.
Nederland en Zwitserland zijn geen excuses
Ook de geografische ligging en externe afhankelijkheid van België worden geregeld aangehaald als verklaring voor beperkte beleidsruimte. Natuurlijk is België een kleine, open economie in een Europese rechtsorde. Maar Nederland ligt in diezelfde economische omgeving, met Europese regels, internationale verdragen, rechterlijke controle en coalitiepolitiek.
Toch laat de vergelijking verschillen zien. De Europese Startup and Scaleup Scoreboard geeft Nederland voor 2025 een score van 176,2, tegenover 141,6 voor België. [2] Het is een samengestelde index, geen bewijs dat elke Nederlandse onderneming sneller groeit. Maar het is wel een reden om de Belgische ondernemingsomgeving kritischer te bekijken. Volgens de OESO bedroeg de belastingwig voor een alleenstaande met een gemiddeld loon in 2025 52,5 procent in België, tegenover 35,9 procent in Nederland. [3]
Neem de discussie over aandelenopties. Nederland werkt aan een gunstiger fiscaal regime waarmee medewerkers van start-ups en scale-ups kunnen delen in de waardegroei van hun werkgever. Dat voorstel is nog geen geldend recht. [5] Maar de beleidsvraag is veelzeggend: hoe maken we groei aantrekkelijker voor ondernemingen én talent?
Zwitserland maakt de vergelijking nog interessanter. Zesentwintig kantons, vier nationale talen, rechtstreekse democratie, sterke lokale autonomie: eenvoudig is dat bestuur allerminst. Toch werd de federale schuldenrem in 2001 met ongeveer 85 procent van de stemmen goedgekeurd. [6] Financiële discipline werd er niet alleen gepredikt, maar in het institutionele ontwerp ingebouwd.
Dat maakt Zwitserland niet perfect, en Nederland evenmin. De Nederlandse stikstofcrisis toont hoe hard rechterlijke beperkingen kunnen doorwerken; Zwitserse referenda kunnen noodzakelijke hervormingen vertragen. Ook zijn de economieën en hun positie tegenover de EU niet identiek.
Maar precies daarom is de les relevant: institutionele complexiteit en trage besluitvorming zijn niet hetzelfde als slecht bestuur.
Het verschil zit niet uitsluitend in regels. Het zit ook in wat een politieke cultuur belangrijk vindt, welke resultaten ze beloont en wie verantwoording moet afleggen wanneer die uitblijven.
Een antwoord waar vooral de politiek iets aan heeft
Ik vraag me bovendien af voor wie de centrale verklaring van Het betonnen beleid het meest bruikbaar is. Dat een minister juridisch niet alles kan, is voor politici en juristen een belangrijke vaststelling. Maar probeer die boodschap eens te verkopen aan een ondernemer die zijn bedrijf wil opschalen of aan een investeerder die tussen België en Nederland kiest.
Die wil weten waarom aanwerven zoveel kost, waarom vergunningen aanslepen, waarom groeikapitaal moeilijk bereikbaar blijft en wat er morgen concreet beter kan. Een verklaring van politieke onmacht biedt hem weinig perspectief. Voor een inwoner die zich blauw betaalt aan belastingen en zijn buurt ziet achteruitgaan, geldt hetzelfde.
Ik zou Jacobs graag eens meenemen op veldwerk. Niet om zijn constitutionele analyse te weerleggen, maar om de afstand tussen de vragen van de politieke wereld en die van de burger zichtbaar te maken. De eerste vraagt: waarom kunnen we niet hervormen? De tweede vraagt: waarom betaal ik zo veel en krijg ik zo weinig resultaat?
Uiteraard hoeft niet ieder boek over staatsrecht een handleiding voor ondernemers te zijn. Het probleem is niet het gespecialiseerde perspectief. Het is de verleiding om dat perspectief als de volledige verklaring voor Belgische stilstand te behandelen.
Een kleine kring die haar eigen verklaringen bewondert
Ook de ontvangst zegt iets. Jacobs heeft de opleiding en loopbaan van een bekwame jurist: KU Leuven, Eubelius, academische activiteiten en opiniestukken. Dat is geen bezwaar tegen zijn argumenten; het verklaart waarom hij die institutionele vragen goed kent.
Maar België heeft een kleine politieke, juridische en academische wereld. Dezelfde instellingen leveren experts, kabinetsmedewerkers en commentatoren. In zo’n omgeving kan intellectuele erkenning gemakkelijk binnen een vertrouwde kring circuleren. Wanneer een minister publiek een boek over de beperkte beleidsruimte prijst, zegt dat iets over de aantrekkingskracht van die boodschap. [7] Het bewijst niet dat de analyse fout is, noch dat het boek geen publiek daarbuiten heeft.
Het legt wel een blinde vlek bloot. Een verklaring die de nadruk legt op externe en juridische obstakels is comfortabeler dan een verklaring die ook de rol van partijbelangen, carrièreprikkels, risicomijding en bestuurlijke middelmatigheid onderzoekt. De politieke klasse kan uitstekend uitleggen waarom ze vastzit. Veel lastiger is uitleggen waarom ze zo vaak akkoord gaat met de knopen die haar vasthouden.
Jacobs heeft een wezenlijk punt: een verkozen meerderheid heeft geen onbeperkte macht en zelfs politieke moed botst op juridische grenzen. Dat inzicht verdient aandacht. Maar het is de tweede helft van het verhaal. De eerste helft speelt zich af vóór een dossier juridisch vastloopt, op het moment dat iemand moet beslissen, verantwoordelijkheid moet nemen en desnoods een verkiezing moet riskeren.
Als we de instellingen willen veranderen, moeten we dus ook de cultuur veranderen die ze voortdurend opnieuw voortbrengt. Minder belangstelling voor wie een procedure beheerst. Meer belangstelling voor wie binnen de bestaande speelruimte aantoonbaar resultaat boekt.
Anders kunnen we morgen een deel van het beton uitbreken. Alleen zal het niet lang duren voor de Belgische politiek een nieuwe betonmixer bestelt.
Bronnen
[1] Veto — Interview met Quinten Jacobs over Het betonnen beleid, 15 november 2025.
[2] Europese Commissie — European Startup and Scaleup Scoreboard, 2025.
[4] OESO — OECD Policy Coherence Scan of Belgium, 2025.
[6] Eidgenössisches Finanzdepartement — Volksabstimmung Schuldenbremse, 2 december 2001.
[7] Vlaams Parlement — Verslag commissievergadering, 14 januari 2026.
[8] Ertsberg — Boekbeschrijving Het betonnen beleid.
Ana Kazemi
Afbeelding: Trougnouf (Benoit Brummer), CC BY 4.0, via Wikimedia Commons (bijgesneden).
