Skyline van de Brusselse Noordwijk met bouwkranen, gezien vanuit het park van Thurn & Taxis

Ondernemingsgroei en machtsdeling in België

Waarom doorgroei ertoe doet voor jongeren en economische zelfstandigheid.

Er is iets merkwaardigs aan ambitie in België. Zolang ze herkenbaar blijft, wordt ze aangemoedigd. Een diploma behalen, een goede job vinden, een onderneming oprichten: uitstekend. Maar ergens onderweg, wanneer iemand van een behoorlijk succes iets veel groters wil maken, verandert de toon. Waarom moet dat eigenlijk? Het gaat toch goed? C’est déjà bien.

Ik begrijp de aantrekkingskracht van die zin. Een comfortabel leven is waardevol. Niemand hoeft zijn bestaan te verantwoorden met omzetcijfers, en een ondernemer mag perfect gelukkig zijn met twintig werknemers en trouwe klanten. Maar ik begin me steeds meer af te vragen wat er gebeurt wanneer die persoonlijke tevredenheid een economische norm wordt. Wanneer we ook tegen ondernemingen die wél verder willen groeien impliciet zeggen dat hun huidige formaat eigenlijk volstaat.

Want iemand betaalt voor die tevredenheid. Vaak iemand die nog aan zijn carrière moet beginnen.

Stel je een jonge werknemer voor die verschillende talen spreekt, goed is opgeleid en graag verantwoordelijkheid wil opnemen. Die komt terecht in een degelijk bedrijf, met aangename collega’s en een correct loon. Alleen staat de organisatie min of meer vast. Boven hem zit een manager die voorlopig nergens naartoe gaat. Daarboven zit de eigenaar. Nieuwe markten aanboren is ooit besproken, maar het bedrijf draait goed en niemand heeft veel zin in de complicaties.

Tien jaar later kan die werknemer uitstekend geworden zijn in zijn functie zonder ooit de kans te hebben gekregen een afdeling uit te bouwen, een buitenlandse vestiging te openen of mee een overname te begeleiden. Zijn capaciteiten zijn gegroeid. De ruimte om ze te gebruiken nauwelijks.

Dat is ook een schaalprobleem.

De vergelijking van de Nationale Bank maakt duidelijk waarom die vraag ertoe doet. Vijf jaar na oprichting ligt de werkgelegenheidsgroei van ondernemingen in België aanzienlijk lager dan in Frankrijk en Nederland. Ook het aandeel van jonge snelgroeiende ondernemingen in de werkgelegenheid blijft achter. De onderstaande figuur toont drie verschillende maatstaven voor doorgroei, op basis van cijfers uit 2022. [1]

Grafiek NBB: doorgroei van ondernemingen in België vergeleken met Frankrijk, Duitsland, Nederland en EU27 (2022)

Figuur 1 | België blijft achter in doorgroei. Van links naar rechts: groei sinds oprichting van vijf jaar oude ondernemingen, het werkgelegenheidsaandeel van snelgroeiende ondernemingen en dat van jonge snelgroeiende ondernemingen. Gegevens 2022. Originele NBB Figure 2, bron Eurostat. [1]

We bespreken economische groei graag vanuit het perspectief van de ondernemer, alsof het uitsluitend gaat over hoeveel groter diens vermogen nog moet worden. Maar een onderneming die doorgroeit, creëert verantwoordelijkheden die voordien niet bestonden. Zodra ze internationaal actief wordt, heeft ze mensen nodig die buitenlandse klanten begrijpen, financiering organiseren en juridische structuren opzetten. Er ontstaat een organisatie waarin anderen kunnen doorgroeien.

De OESO onderstreept hoe belangrijk die dynamiek is: een relatief kleine groep opschalende KMO’s levert een buitenproportionele bijdrage aan de creatie van nieuwe jobs. Schaal raakt dus rechtstreeks aan de kansen die een economie haar werknemers biedt. [2]

Tussen “over enkele jaren bekijken we je promotie” en “wij openen Duitsland, kun jij dat mee opbouwen?” zit een volledig andere loopbaan. Natuurlijk garandeert groei geen hoger loon of goede werkgever. Maar wanneer zulke kansen nauwelijks ontstaan, valt er ook weinig te verdelen. Dan moeten jonge mensen hun ambities inpassen in de functies die er al zijn, of vertrekken naar een omgeving waar nieuwe functies bijkomen.

En vervolgens vragen wij waarom ze vertrekken.

Wat mij daarin frustreert, is hoe dichtbij het alternatief ligt. Vanuit Brussel neem je de trein naar Parijs of Amsterdam en kom je terecht in economische gesprekken waarin doorgroei veel explicieter als opdracht wordt behandeld. Ook daar lopen ondernemers tegen bureaucratie, financieringsproblemen en personeelstekorten aan. Alleen wordt de volgende stap tenminste benoemd.

Frankrijk spreekt via French Tech zonder gêne over internationale kampioenen. Het Next40/120-programma begeleidt ondernemingen met de ambitie om internationale leiders te worden en koppelt dat nadrukkelijk aan technologische en industriële soevereiniteit. Je mag kritiek hebben op de Franse staatsbemoeienis, maar de bedoeling is duidelijk: succesvolle bedrijven moeten groot genoeg kunnen worden om internationaal mee te beslissen. [3]

Nederland stelt via Techleap eveneens heel concreet de vraag waar doorgroei vastloopt. Het rapport State of Dutch Tech 2026 waarschuwt onder meer voor de toenemende afhankelijkheid van buitenlands kapitaal bij grotere financieringsrondes. Het beschouwt een goed draaiend ecosysteem dus nog steeds als iets waarvan de beperkingen moeten worden aangepakt. [4]

Dat is de houding die ik hier sterker zou willen zien. Zodra een onderneming bewezen heeft dat haar product werkt, begint een nieuw gesprek. Welke obstakels verhinderen haar om een Europese markt te bedienen? Wie kan de volgende groeifase financieren? Waar vinden we managers die zo’n uitbreiding al hebben meegemaakt?

Dat gesprek heeft ook gevolgen voor wie zich hier wil vestigen. Stel dat een ondernemer uit Buenos Aires of Johannesburg een Europese uitvalsbasis zoekt. Brussel kan een aantrekkelijke woonplaats zijn, maar die ondernemer moet ook kunnen inschatten wat hier economisch mogelijk is. Zijn er investeerders die kunnen volgen wanneer het bedrijf groter wordt? Kan er internationaal talent worden aangetrokken? Zijn er potentiële klanten en ervaren mensen die de volgende fase mee kunnen dragen?

Een land maakt zichzelf aantrekkelijk door de toekomst die het iemand kan aanbieden. Goede publieke diensten horen daarbij. Voor iemand die een internationaal bedrijf wil bouwen, moeten daar ook geloofwaardige groeimogelijkheden naast staan.

We kunnen moeilijk zeggen dat we ambitieuze ondernemers en investeerders willen aantrekken, en vervolgens ongemakkelijk worden bij de omvang van hun ambitie.

Maar het interessantste gevolg van schaal ligt voor mij nog ergens anders: bij de verdeling van macht.

In België heeft de overheid een grote financiële aanwezigheid. Volgens de OESO bedroegen de overheidsuitgaven in 2024 54,5% van het bbp. Dat betekent niet dat de overheid meer dan de helft van de economie bezit: het cijfer omvat ook pensioenen, uitkeringen en andere overdrachten. Het geeft wel een idee van de omvang van de publieke geldstromen. [5]

Rond die geldstromen bewegen ondernemingen, onderzoeksinstellingen en verenigingen. Een deel van de vzw’s en ngo’s steunt op publieke financiering; bedrijven leveren diensten aan overheden of investeren met publieke steun. Daar kunnen uitstekende redenen voor zijn. Een ziekenhuis moet materiaal aankopen en fundamenteel onderzoek moet ergens van betaald worden.

Toch verdient de afhankelijkheid die daarbij kan ontstaan meer aandacht. Voor een onderneming kan een groot overheidscontract in één beweging veel omzet opleveren. Voor een organisatie kan een subsidiebeslissing bepalen of ze mensen kan aanwerven of moet afbouwen. Naarmate haar voortbestaan sterker aan zulke beslissingen hangt, wordt haar verhouding tot de overheid ook een kwestie van economische overleving.

Ik vind het een ongemakkelijk vooruitzicht wanneer steeds meer ambitie zich daardoor richt op dezelfde vraag: hoe krijgen we toegang tot dat publieke budget?

Een liberale economie heeft ook ondernemingen nodig die voldoende klanten, kapitaal en marktbereik hebben om zelfstandig hun koers te bepalen. Organisaties die kunnen investeren zonder dat eerst een nieuw subsidieprogramma moet worden aangekondigd. Werkgevers die aantrekkelijk genoeg zijn om werknemers echte alternatieven te geven. Succesvolle ondernemers die hun opbrengsten opnieuw in andere ondernemingen steken.

Daarom interesseert het vooruitzicht van honderden Belgische bedrijven die substantieel doorgroeien mij meer dan het wachten op één Belgische Google of Amazon. Denk aan een onderneming die van dertig naar driehonderd werknemers gaat, haar product in verschillende landen verkoopt en hier een volwaardig managementteam uitbouwt. Als dat op veel plaatsen gebeurt, ontstaan er meer onafhankelijke bronnen van werk, expertise en financiering.

Dat kan macht spreiden.

Voor een werknemer wordt vrijheid heel concreet wanneer die een slechte werkgever kan verlaten zonder daarvoor zijn hele professionele leven te moeten omgooien. Voor een ondernemer betekent het dat er meerdere financiers zijn die een plan kunnen dragen. Voor een onderzoeker dat een afgewezen financieringsaanvraag niet noodzakelijk het einde van een project is.

Die alternatieven moeten wel bestaan. Je kunt mensen eindeloos vertellen dat ze hun grenzen moeten aangeven, maar hun onderhandelingspositie blijft beperkt wanneer ze nergens anders naartoe kunnen.

Ook binnen ondernemingen kan doorgroei iets veranderen. We spreken vaak met veel warmte over de KMO, en geregeld terecht. Maar een kleine onderneming kan ook volledig samenvallen met de persoonlijkheid van haar eigenaar. Als die goed leidinggeeft, werkt dat prachtig. Als dat niet zo is, kan zijn humeur het personeelsbeleid worden.

Dan is “we bespreken het intern” soms gewoon een gesprek met dezelfde persoon die het probleem veroorzaakt. Een groeiend bedrijf krijgt meer behoefte aan duidelijke bevoegdheden, professionele managers en controle. De oprichter kan moeilijk iedere aanwerving, offerte en uitgave persoonlijk blijven goedkeuren. Er moeten afspraken komen die ook werken wanneer hij niet in de kamer zit. Externe investeerders kunnen bovendien verantwoording vragen over beslissingen die vroeger uitsluitend zijn zaak waren.

Dat biedt kansen om persoonlijke willekeur te beperken. Het gebeurt niet automatisch: ook grote ondernemingen kunnen autoritair zijn en formele procedures kunnen lege dozen blijven. De kwaliteit van bestuur blijft doorslaggevend. Maar juist daarom vind ik de romantische aanname dat klein vanzelf menselijker is zo weinig overtuigend. Een vertrouwde voornaam op de deur vertelt je weinig over de machtsverhoudingen erachter.

Wie schaal wil inzetten voor machtsdeling, moet tegelijk zorgen dat markten toegankelijk blijven en ondernemingen elkaar werkelijk beconcurreren. Als groei uiteindelijk alleen leidt tot enkele spelers die alle concurrenten opkopen, verdwijnt het voordeel voor werknemers en klanten opnieuw. Mijn pleidooi veronderstelt dus ruimte voor nieuwe toetreders en grenzen aan dominante posities.

Op Europees niveau wordt die vraag nog dringender. De ECB beschrijft hoe het tekort aan Europees risicokapitaal de financiering van groeibedrijven bemoeilijkt, vooral in latere fasen. Ze waarschuwt ook dat afhankelijkheid van buitenlandse investeerders gepaard kan gaan met het vertrek van hoofdkantoren, intellectuele eigendom en andere strategische activiteiten. [6]

Daar krijgt het verhaal van die jonge werknemer een tweede dimensie. Het bedrijf waarin hij hier had kunnen doorgroeien, vindt zijn volgende investeerder elders. Misschien volgt het management. Misschien worden toekomstige afdelingen daar opgebouwd. De onderneming kan succesvol worden terwijl een deel van de kansen die eruit voortkomen buiten België terechtkomt.

Buitenlands kapitaal kan bijzonder waardevol zijn. Maar we zouden ons wel moeten afvragen waarom het zo vaak elders makkelijker lijkt om de volgende stap te financieren. Anders investeren we in de opleiding en de eerste ontwikkeling, terwijl anderen beter georganiseerd zijn om de verdere groei te dragen.

Het argument dat België daarvoor te klein is, overtuigt mij nauwelijks. Juist een klein land heeft er belang bij dat zijn ondernemingen klanten buiten de eigen grenzen bereiken. Onze ligging en meertaligheid zouden daarbij een economisch voordeel moeten zijn. Vanuit Brussel is een Europese markt geen abstract idee. Ze ligt rondom ons.

Wat ik daarom wil, is dat doorgroei een veel concretere plaats krijgt in ons economisch beleid. Wanneer een onderneming wil uitbreiden, moeten we kunnen aanwijzen waar ze vastloopt en wie dat kan oplossen. Een fiscale drempel vraagt een ander antwoord dan een tekort aan ervaren managers. Een financieringsprobleem verdwijnt niet door nog een netwerkevenement te organiseren. En versnipperde procedures worden niet eenvoudiger omdat we het woord “innovatie” boven een nieuw programma zetten.

Dat vereist ook dat we succes anders leren bekijken. Een onderneming die comfortabel draait, kan voor haar eigenaar perfect groot genoeg zijn. Dat is zijn keuze. Maar voor de werknemer die wil doorgroeien, de investeerder die een groter project zoekt en de volgende generatie die hier een toekomst wil bouwen, is daarmee het gesprek nog niet afgerond.

Ik denk opnieuw aan die jonge werknemer. Hij heeft gedaan wat van hem werd gevraagd: gestudeerd, talen geleerd, ervaring opgebouwd en geduld getoond. Uiteindelijk krijgt hij elders de kans om mee iets uit te bouwen. Hier hoort ze dat ze toch al een goede job heeft.

C’est déjà bien.

Misschien wel. Maar hij vertrekt naar de plaats waar iemand vraagt wat ze nog meer kan.


Bronnen

[1] Nationale Bank van België — Gert Bijnens (2025), Reigniting growth: trends and challenges for business dynamism in Belgium. Economic Review, nr. 10, figuur 2, p. 4.

[2] OESO — Helping SMEs scale up.

[3] Mission French Tech — French Tech Next40/120.

[4] Techleap — State of Dutch Tech 2026.

[5] OESO — Government at a Glance 2025: Belgium.

[6] Europese Centrale Bank — Europe’s venture capital gap and the financing of high-growth firms (2026).


Ana Kazemi

Afbeelding: Luca Mangiat, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons (bijgesneden).